
Wet Rietkerk-uitkering
Artikel 3
1
Het recht op de uitkering van de rechthebbenden, bedoeld in artikel 2, eerste lid, vervalt met ingang van het uitkeringsjaar volgend op het jaar van overlijden van de betreffende rechthebbende.
2
Indien de niet gehuwde rechthebbende dan wel de gehuwde rechthebbende die geen weduwe of weduwnaar nalaat, is overleden voor 1 januari 1989, treden de erfgenamen in zijn of haar plaats en duurt het recht op de uitkering ten bate van de erfgenamen voort tot en met 31 december 1988.
3
Indien de rechthebbenden die met elkaar gehuwd waren, beiden zijn overleden voor 1 januari 1989, treden de erfgenamen van de uitkeringsgerechtigde in de plaats van de langstlevende rechthebbende en duurt het recht op de uitkering ten bate van de erfgenamen voort tot en met 31 december 1988.
4
In afwijking van het bepaalde in het derde lid, treden, indien de rechthebbenden die met elkaar gehuwd waren, beiden uitkeringsgerechtigd waren, de erfgenamen van ieder van hen in de plaats van de langstlevende, waarbij de uitkering voor de helft toekomt aan de erfgenamen van de man en voor de helft aan de erfgenamen van de vrouw.
De uitkering
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.